De grootste verandering in box 3 sinds jaren raakt beleggers op een plek waar ze het niet verwachten. Vanaf 2028 wil de wetgever niet langer een fictief rendement belasten, maar je werkelijke rendement, inclusief koerswinst die alleen nog op papier bestaat. Concreet: stijgt je portefeuille in een jaar, dan kun je daarover belasting betalen zónder ook maar één aandeel te hebben verkocht. Hieronder ontleden we wat er verandert, wat het je bij een goed beursjaar kost, en waar de addertjes zitten.

Belangrijk vooraf: het gaat om een wetsvoorstel dat door de Tweede Kamer is aangenomen maar nog door de Eerste Kamer moet. Details kunnen dus nog schuiven.

Van fictief naar werkelijk rendement

Nu belast box 3 een verondersteld rendement: de fiscus gaat uit van een fictief percentage over je vermogen, ongeacht wat je écht verdiende. Dat systeem sneuvelde na jarenlange juridische strijd. In de plaats komt een heffing op je werkelijke rendement.

Dat werkelijke rendement bestaat uit twee delen: de directe opbrengsten (rente, dividend, huur en pacht) én de waardeontwikkeling van je bezittingen, koerswinst of -verlies. Het tarief in het wetsvoorstel is 36%. Het heffingsvrije vermogen van tienduizenden euro's verdwijnt; daarvoor in de plaats komt een heffingsvrij inkomen van €1.800 per persoon. Je rekent dus af over je rendement boven die €1.800, niet over een deel van je vermogen.

De kern voor beleggers: papieren winst telt mee

Voor de meeste beleggingen (aandelen, ETF's, spaargeld) geldt de hoofdregel: een vermogensaanwasbelasting. Die heft jaarlijks over de waardestijging in dat jaar, of je nu verkoopt of niet. Een aandeel dat stijgt maar dat je vasthoudt, levert een papieren winst op, en juist die papieren winst wordt onder de hoofdregel belast.

Dat is een breuk met hoe veel mensen denken dat vermogenswinst werkt ("pas belasting als ik verkoop"). Voor de buy-and-hold-belegger, die bewust jaren niet verkoopt om rendement te laten samenstellen, is dit de belangrijkste verandering om te begrijpen.

Wat kost een goed beursjaar?

Neem een portefeuille van €100.000. Je verkoopt niets, je laat 'm staan. Dit betaal je bij verschillende rendementen, na aftrek van het heffingsvrije inkomen van €1.800:

Rendement in het jaarWaardestijgingBelastbaar (na €1.800)Te betalen (36%)
+5%€5.000€3.200€1.152
+10%€10.000€8.200€2.952
+15%€15.000€13.200€4.752

Bij een stijging van 10% is dat bijna €3.000 belasting, terwijl er geen euro op je rekening is bijgeschreven. Heb je een fiscale partner, dan telt het heffingsvrije inkomen dubbel (2 × €1.800), wat de aanslag iets verzacht.

Het addertje: het liquiditeitsprobleem

Hier wringt het. De aanslag moet betaald worden op het moment dat hij binnenkomt, terwijl de winst op dat moment nog puur op papier kan staan. Wie zijn geld volledig belegd houdt, kan gedwongen worden een deel van de portefeuille te verkopen om de belasting te kunnen betalen. En elke euro die je daarvoor uit de markt haalt, groeit niet langer mee, precies het tegenovergestelde van wat een langetermijnbelegger wil.

De kritiek in het parlementaire debat spitste zich hier op toe: belasting op "papieren winst" en de zorg dat mensen moeten afrekenen over geld dat ze nog niet in handen hebben.

En een slecht beursjaar?

Daalt je portefeuille, dan lever je geen belasting in, je lijdt een verlies dat je mag verrekenen. Maar let op de beperking: een verlies is alleen met toekomstige winsten te verrekenen, niet met de belasting die je in eerdere jaren al betaalde. Een topjaar gevolgd door een slecht jaar betekent dus: eerst afrekenen over de winst, en het verlies pas later terugkrijgen via lagere heffing. Dat verzacht de pijn, maar neemt het liquiditeitsprobleem niet weg.

Twee uitzonderingen op de hoofdregel

Niet alles valt onder de jaarlijkse aanwasheffing. Voor onroerende zaken (vastgoed) en aandelen in startende ondernemingen geldt een vermogenswinstbelasting: de waardestijging wordt pas belast als je die realiseert, bijvoorbeeld bij verkoop. Voor die categorieën blijft de klassieke "pas belasting bij verkoop"-logica dus overeind, voor je gewone aandelen- en ETF-portefeuille niet.

Wat je nu al kunt doen

  • Houd rekening met een cashbuffer voor de aanslag, zodat je niet gedwongen stukken hoeft te verkopen in een jaar dat je portefeuille goed liep.
  • Benut een fiscale partner: het heffingsvrije inkomen geldt per persoon, dus samen reken je pas af boven €3.600 rendement.
  • Onthoud dat dit nog een voorstel is. De Eerste Kamer moet het nog behandelen en het parlement dringt aan op ruimere verliesverrekening, de precieze regels kunnen wijzigen.
  • Twijfel je wat dit voor jouw situatie betekent? Leg het voor aan een fiscalist; dit stuk is een uitleg, geen persoonlijk belastingadvies.

Onder de streep: het nieuwe box 3 is voor spaarders met bescheiden rendement vaak gunstiger, maar voor groeigerichte beleggers met flinke koerswinsten juist zwaarder, en die zwaarte komt in de vorm van een rekening over winst die nog in de markt zit.

Meer over box 3 en beleggen →

Deze analyse is gebaseerd op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals aangenomen door de Tweede Kamer, en bedoeld als feitelijke uitleg, geen fiscaal of beleggingsadvies. Het voorstel moet nog door de Eerste Kamer en kan wijzigen; controleer de actuele regels of raadpleeg een adviseur.

JD
Over de auteur
Jorrit Drenth

Richt zich op vermogensopbouw voor de lange termijn, van box 3 tot pensioen en FIRE, altijd onderbouwd met cijfers.

Meer van Jorrit Drenth →