Private equity was decennialang het terrein van pensioenfondsen en zeer vermogende families. Sinds de Europese ELTIF-regels in januari 2024 zijn versoepeld, mag je er als particulier gewoon instappen, soms al vanaf een paar duizend euro. De AFM zet daar in haar Trendzicht 2026 een uitroepteken bij. Hieronder staat wat er precies veranderde, wat het kost, en welke drie eigenschappen je moet begrijpen voordat je erin stapt.

Wat er in 2024 veranderde

Een ELTIF is een Europees gereguleerd fonds dat belegt in langlopende, niet-beursgenoteerde zaken: private equity, private credit en infrastructuur. De eerste versie uit 2015 werd nauwelijks gebruikt, omdat de regels particulieren vrijwel buitensloten.

De herziening, ELTIF 2.0, geldt sinds januari 2024 en haalde twee drempels weg. De minimale inleg van €10.000 per fonds verdween, en de regel dat een particulier met een portefeuille onder €500.000 maximaal 10% daarvan in ELTIF's mocht stoppen verdween eveneens. Er is ook geen aparte ELTIF-geschiktheidstoets meer; de gewone MiFID-toets volstaat.

Het gevolg laat zich raden. Vermogensbeheerders en banken zien opeens een veel grotere doelgroep, en grote partijen bieden toegang vanaf ongeveer tienduizend euro. De AFM signaleert in Trendzicht 2026 precies deze beweging: de snelle opmars van private equity en private credit, en vooral de toenemende toegankelijkheid voor retailbeleggers.

Wat het kost, en wat dat over tien jaar doet

Hier zit het scherpste verschil met de indexbelegging die de meeste Nederlanders inmiddels doen. Bij private-marktfondsen zijn beheerkosten van 2% per jaar of meer niet ongebruikelijk, vaak aangevuld met een prestatievergoeding over het behaalde rendement. Een breed gespreide wereld-ETF kost ongeveer 0,20% per jaar.

Neem €50.000 en een brutorendement van 6% per jaar. Dit blijft er na tien jaar over, puur door het verschil in kosten (zie ook de grafiek bovenaan):

Jaarlijkse kostenWaarde na 10 jaar
Wereld-ETF, 0,20%€87.867
Private-marktfonds, 1,00%€81.445
Private-marktfonds, 2,00%€74.012

Het verschil tussen de goedkoopste en de duurste route is bijna €13.900 op een halve ton, en dat is nog vóór een eventuele prestatievergoeding. Het private fonds moet dus structureel bijna twee procentpunt per jaar meer rendement halen om alleen maar gelijk te eindigen. Dat kan, maar het is een forse voorsprong die het eerst moet goedmaken.

Je geld zit er niet zomaar uit

Beursgenoteerde beleggingen verkoop je op een handelsdag. Private beleggingen niet, en de regels zijn daar eerlijk over.

Voor open-end ELTIF's schrijven de technische regels een opzegtermijn van minimaal twaalf maanden voor. Een fonds dat een kortere termijn wil hanteren, moet daar een liquiditeitsbuffer tegenover zetten die kan oplopen tot 40% van de portefeuille. Steeds meer fondsen kiezen voor een zogeheten evergreen-structuur waarbij je bijvoorbeeld per kwartaal kunt uitstappen.

Let op wat die buffer betekent. Een fonds dat 40% liquide moet aanhouden om je snel te kunnen uitbetalen, belegt dat deel per definitie niet in private markten. Je betaalt dan private-markttarieven over een portefeuille die voor een aanzienlijk deel uit gewone, liquide beleggingen bestaat.

Daar komt bij dat fondsen mogen werken met uitstapdrempels, waarbij niet alle opnameverzoeken in één keer worden gehonoreerd. Juist op het moment dat veel beleggers tegelijk weg willen, werkt dat mechanisme.

Private staat niet gelijk aan privaat

Een ELTIF hoeft slechts 55% van het fondsvermogen in daadwerkelijk in aanmerking komende, grotendeels private beleggingen te stoppen. De rest mag in gewone, liquide beleggingen zitten.

Dat is geen misstand, het is de regel, en het helpt bij de liquiditeit. Maar het betekent wel dat "toegang tot private markten" in de praktijk een gemengde portefeuille kan zijn. Wie de blootstelling koopt die op de folder staat, doet er goed aan te controleren welk deel er werkelijk in zit.

De waardering is een schatting, geen koers

Een derde eigenschap die zelden expliciet wordt gemaakt: private beleggingen hebben geen doorlopende marktprijs. De waarde komt uit periodieke taxaties.

Daardoor ziet een private portefeuille er rustiger uit dan een beursportefeuille, met minder scherpe uitslagen. Dat voelt als minder risico, maar het is vooral minder zichtbaar risico. De onderliggende bedrijven bewegen wel degelijk mee met de economie; je ziet het alleen later en in afgeronde stappen.

Wanneer het wel kan passen

Dit is geen pleidooi tegen private markten. Voor wie er echt in past, kan het zinvol zijn:

  • Je hebt een horizon van vele jaren en dit geld is niet nodig voor iets tussendoor.
  • Je hebt al een goedkope, gespreide kern en zoekt aanvulling, geen vervanging.
  • Je kunt de illiquiditeit dragen, ook als het economisch tegenzit.
  • Je begrijpt en accepteert de kostenstructuur, inclusief prestatievergoeding.

Onder de streep: ELTIF 2.0 haalde de juridische drempels weg, niet de economische. De kosten, de illiquiditeit en de geschatte waardering zijn er nog precies zo als toen dit product alleen voor instituten was. Wie instapt, moet dat doen omdat de eigenschappen passen, niet omdat de deur nu open staat.

Vergelijk wat vermogensbeheer kost →

Deze analyse is bedoeld als feitelijke uitleg op basis van openbare bronnen en regelgeving, en is geen beleggingsadvies. Kosten, voorwaarden en fondsstructuren verschillen per aanbieder en kunnen wijzigen; raadpleeg altijd het prospectus en de essentiële informatie van het betreffende fonds.

Maarten Soetens
Over de auteur
Maarten Soetens

Verdiept zich in vermogensbeheer en robo-advisors en vertaalt complexe productvoorwaarden naar heldere taal.

Meer van Maarten Soetens →